Ebola in Oeganda voorbij: Dion Peters zegt dat hij het eraf heeft geneukt, gewassen en vergeten
De WHO sluit het dossier. Peters sluit zijn broek. Twee doden verderop in de statistiek. Hij vraagt of er nog saus bij kan.
Laatst bijgewerkt op
KAMPALA – De ebola-uitbraak in Oeganda is voorbij. Twintig besmettingen. Twee mensen dood. Maanden wachten tot het virus zich vergiste. En dan Dion Peters op een Nederlandse stoep, vest open, vlek op zijn buik, alsof hij persoonlijk de stekker eruit heeft getrokken.
„Ik was er,” zegt hij. Hij zegt het zoals andere mannen zeggen dat ze een kind hebben. Trots. Te luid. Met de zekerheid van iemand die nog nooit een graf heeft gedolven en wél een rietje in zijn frisdrank heeft.
Wat „er” is, verschuift per zin. Eerst een ziekenhuis. Dan een gang. Dan een hotelbed dat naar chloor en zaad rook. Dan een taxi waarin hij een man beloofde dat het goed zou komen, terwijl hij zelf niet wist of hij de wijk of het continent bedoelde. „Zorg is geen brochure,” zegt Peters. „Zorg is iemands lul afvegen, iemands moeder bellen en daarna buiten een sigaret opsteken alsof je God een dienst hebt bewezen. Ik heb God geen dienst bewezen. Ik heb God werk uit handen genomen. Dat vergeet Hij.”
De WHO heeft gewacht tot ze zeker wisten dat er niemand meer omviel. Peters heeft gewacht tot de snackbar open was. „Twee doden,” zegt hij, en telt ze alsof het flesdoppen zijn. „Dat is weinig als je van slachting houdt. Dat is veel als het jouw dienst is. Het was niet mijn dienst. Daarom eet ik. Als het wél mijn dienst was geweest, had ik ook gegeten. Ik eet in alle scenario’s. Dat is professionaliteit.”
Hij wil details geven. De verkeerde. Koorts. Diarree. Een lichaam dat zijn eigen inhoud niet meer respecteert. Een handschoen die knapt op het moment dat je nog iets menselijks wilde blijven. „Toen dacht ik: dit is geen virus. Dit is een persoonlijkheid. Het virus wil eruit. Ik ook. Wij begrepen elkaar. Het is weggegaan. Ik ben gebleven. Eentje van ons had discipline.”
Of hij iemand heeft gered, vraagt de verslaggever. Peters denkt na tot de kaas op zijn kapsalon zich zet. „Ik heb iemand vastgehouden die nog warm was. Ik heb iemand losgelaten die dat niet meer was. Daartussen zit een formulier. Dat formulier heeft mijn naam niet. Dat is de grap. De doden hebben geen Instagram. Ik wel. Raad eens wie het journaal haalt als hij zijn bek opentrekt.”
Congo telt ruim 5600 gevallen en meer dan 2700 doden. Peters wil daar niet heen. Niet uit respect. Uit agenda. „Congo is een gehaktmolen met een vlag. Daar verdwijn je. Ik verdwijn niet. Ik ben te dik om te verdwijnen en te horny om te sterven. Stuur een slankere idioot. Stuur iemand zonder terras. Ik ben klaar met continenten. Ik doe nu mensen die piepen om een zetpil en denken dat ik hun minnaar ben. Dat is ook ebola. Alleen dan in slow motion, met vla.”
De GGD laat weten dat hij zich kan laten prikken, testen en verder kan afzuigen tot hij een protocol is. Peters noemt de GGD „maagden met een logo”. Buitenlandse Zaken laat weten dat een vetvlek geen medaille is. Hij veegt de vlek af aan zijn broek en noemt dat diplomatie.
Aan het eind duwt hij de laatste friet naar binnen alsof het een communie is. „Het land is schoon. Mijn handen niet. Mijn kop niet. Mijn onderbroek al helemaal niet. Dat is de deal van de zorg: jij houdt iemand in leven tot het niet meer gaat, en daarna zuig je de saus van je vingers alsof het bloed is. Het is geen bloed. Het is saté. Dat is erger. Bloed heeft een verhaal. Saté heeft mij.”
Hij likt. Hij slikt. Hij glimlacht de glimlach van een man die denkt dat de twee doden ergens een review kunnen achterlaten. „Vijf sterren. Zouden weer sterven. Dion was lief. Dion at na afloop. Dion leeft. Dat is het enige protocol dat ik afmaak.”
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste die er iets van vindt.